|
Eens in de zoveel tijd duiken nieuwsberichten op over de gevolgen van armoede in Nederland. Deze week ging het over een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) naar de effecten van armoede op kinderen. Conclusie: armoede belet kinderen zich ten volle te ontplooien in de Nederlandse samenleving. Vaak is er in arme gezinnen niet voldoende geld om kinderen te laten deelnemen aan sport of culturele activiteiten. Arme kinderen doen daarom beduidend minder aan sport en andere activiteiten dan kinderen van rijkere ouders. Het gaat in dit geval om kinderen in eenoudergezinnen, bijstandshuishoudingen of gezinnen van niet-westerse allochtonen.
Het is zaak kritisch om te gaan met dit soort nieuwsberichten. Dat heeft ten eerste te maken met de begrippen die worden gebruikt. Het lijkt erop of in berichten over armoede het volstrekt duidelijk is wat armoede is. En dat is juist niet het geval. Armoede in Nederland is heel iets anders dan armoede in Zweden, Spanje, Roemenië of Zimbabwe. Armoede is een relatief begrip. In het SCP-rapport werd de armoedegrens gesteld op 120 procent van het Nederlandse sociaal minimum (1025 euro bruto per maand voor een eenoudergezin). Dat is een bedrag waar je in Nederland met moeite van kunt rondkomen, maar waarvan je in EU-land Roemenië heel goed van kunt leven. Bovendien is er nogal wat verschil in ervaring van ‘armoede’ in verschillende gezinnen die onder de definitie van het SCP vallen. Bijvoorbeeld hoe het beperkte maandinkomen drukt op het levensgeluk. Een sprekend voorbeeld hiervan zijn de schoonmakers op Schiphol, mensen die leven aan de ‘rafelranden van de arbeidsmarkt’. Volgens Europese normen moeten zij als arm worden beschouwd. Maar zij vinden dat zelf helemaal niet. Ze storen zich niet zozeer aan hun lage loon, maar voelen zich aangetast in hun waardigheid omdat ze als oud vuil worden behandeld door hun werkgevers.
Er zijn andere grote verschillen waar te nemen tussen gezinnen die als ‘armoedig’ worden betiteld. Dat wordt duidelijk bij lezing van het SCP-rapport. Zo blijkt gebrek aan geld voor 44 procent van de kinderen van arme gezinnen geen reden te zijn om niet lid te worden van een sportclub. Hoe moet zo’n uitkomst worden beoordeeld? Het SCP geeft zelf hiervoor al een deelantwoord. Er blijkt een groep kinderen te zijn die ‘geen zin’ heeft om te gaan sporten. Het gaat hier om een grote groep: ruim een derde van alle arme huishoudens waarvan de kinderen niet aan sport doen.
Daarnaast wordt het in het onderzoek niet duidelijk hoe het komt dat er in sommige arme gezinnen geen geld is voor sport en in andere gezinnen met hetzelfde inkomen wél. Anders gezegd: welke prioriteiten stellen ouders? Kiezen ze liever voor geregeld snackbarbezoek en een flatscreen-tv of vinden ze dat er geld moet worden gespendeerd aan de sportieve en sociale ontwikkeling van hun kinderen? Verder komt naar voren dat arme gezinnen lang niet altijd de weg weten te vinden naar overheidssubsidies die beschikbaar zijn om drempels weg te nemen voor kinderen die willen sporten. Het is onbekend waarom deze tegemoetkomingen in de kosten veel te weinig worden gebruikt.
...als veelkoppig monster
Ondanks alle kantekeningen die zijn te zetten bij het thema armoede in Nederland mag het niet worden weggeredeneerd. Er is - jarenlang overheidsbeleid ten spijt en decennia van economische groei - in Nederland nog altijd sprake van armoede. En uit eerdere studies bleek al dat opgroeien in armoede negatieve gevolgen heeft voor kinderen op sociaal, emotioneel, cognitief en lichamelijk vlak. Mensen in arme gezinnen roken meer, eten slechter, doen het minder op school, bezoeken vaker de dokter en komen vaker met politie en justitie in aanraking. Het verband tussen armoede en achterstanden op allerlei gebied kan en mag niet worden ontkend.
Toch wordt steeds meer duidelijk dat armoede een veelkoppig monster is dat niet simpel kan worden bestreden door het verhogen van uitkeringen of het bieden van financiële tegemoetkomingen. Evenzeer spelen psychosociale achtergronden (gebrek aan eigenwaarde), schuldenproblemen en de wijze waarop de overheid met haar burgers omgaat (moeilijk te bereiken instanties) een rol. Het krijgen van werk en het leven van een regelmatig bestaan blijken vaak de eerste en beste stappen te zijn om uit de problemen te komen. Overheidsbeleid dat daarop is gericht zal het meeste succes oogsten.
Friesch Dagblad - 14-5-2009
|